Boeren in Tweede Kamer: ‘Maak het volgend GLB eenvoudiger en groener’

Het huidige GLB loopt nog tot en met 2027, maar ondertussen wordt er al nagedacht hoe het GLB daarna moet worden ingericht. Daarom organiseerde de Tweede Kamer een hoorzitting om verschillende ideeën te horen.
In een eerste ronde kwamen vertegenwoordigers van boerenorganisaties aan het woord. En die hadden een behoorlijk eensgezinde boodschap. Een nieuw GLB moet eenvoudiger worden, en duurzaamheid stimuleren. „Er komen grote opgaven op de sector af”, zei NAJK-bestuurder Gerben Boom. „Een robuust GLB is cruciaal om daarmee om te gaan. Hij pleitte voor een derde pijler voor klimaat- en milieumaatregelen, naast de al bestaande pijlers voor inkomenssteun en plattelandontwikkeling. „Daarmee krijgt de samenleving ook een duidelijker beeld waar het geld van het GLB naar toe gaat.” Een ander effect is dat er dan ook geld naar de intensieve sectoren kan gaan. „Zeker als je dierenwelzijn daar ook aan toevoegt.”
Ook ZLTO-voorzitter Thijs Rompelberg vond het belangrijker dat het GLB boeren helpt om duurzamer te investeren. Hij ziet het programma steeds meer een duizenddingendoekje worden, en pleitte voor meer duidelijkheid. „De ambities om zaken met het GLB op te lossen groeien, maar het budget groeit niet mee”, constateerde hij. Daarom pleitte hij voor co-financiering vanuit de Nederlandse schatkist.
Biohuis-voorzitter Pipie Smits van Oyen pleitte – niet geheel verrassend – voor meer nadruk op de biologische landbouw in het GLB. ‘Daarop wordt nauwelijks ingezet, terwijl de biologische landbouw wel bijdraagt aan alle doelen van het GLB’, stelde ze. Daarnaast pleitte ze voor een ANLb dat niet enkel de kosten dekt, maar ook een winstmarge geeft, zodat het een volwaardige inkomstenbron voor boeren kan worden. „Momenteel doen boeren het agrarisch natuurbeheer op de onrendabele hoekjes van hun percelen”, stelde ze. „Als ze dat op hun hele perceel zouden doen, krijgen ze de kosten wel vergoed, maar de gederfde inkomsten niet.” Als je dus wilt dat boeren agrarisch natuurbeheer op een groter oppervlak doen, moet je ook de gederfde inkomsten daarvan vergoeden. „Boeren moeten er dan ook winst uit kunnen halen”, legde ze uit. „En ook langdurig. Als ze daarvoor speciale machines moeten aanschaffen, moeten ze kunnen rekenen op een vergoeding die langer dan zes jaar duurt, zodat ze ook de afschrijvingen kunnen blijven betalen.”
Duizenddingendoekje
Rompelberg wees erop dat, doordat het GLB steeds meer een duizenddingendoekje wordt, er steeds meer doelen mee moeten worden bereikt, het voor boeren ook steeds ingewikkelder wordt om de Gecombineerde Opgave in te vullen. „Veel boeren kunnen dat niet meer zonder adviseur.” Hij pleitte ervoor om in een toekomstig GLB scherpere keuzes te maken.
Hij kreeg bijval van Smits van Oyen, en ook van BoerenNatuur-voorzitter Marije Klever. Die pleitte ook voor eenvoudiger controles. „Als je collectieven al controleert op naleving van de ANLb’s, dan hoef je niet ook nog eens de individuele boeren te controleren”, vond zij. Ze wees er ook op dat verschillende GLB-regelingen elkaar beconcurreerden. „Als ik nu kruidenrijk grasland heb, moet ik kijken of ik dat onder de ecoregeling laat vallen of onder het ANLb”, zei ze. Ze pleitte voor een duidelijker scheiding; zaken als klimaat, bodem en water onder de (landelijke) ecoregelingen te laten vallen, en regionale zaken als landschap en biodiversiteit te regelen via ANLb’s. Dan zouden ANLb’s ook in het hele land moeten gelden, waarbij sommige gebieden intensiever bediend worden dan andere.
De boeren kregen hiervoor steun van Henk Viersen van RVO. „Het huidige GLB is een complex pakket geworden”, zei hij. „Dat zou toegankelijker en begrijpelijker moeten worden.” Hij pleitte ervoor om geen nieuw systeem op te zetten, maar het huidige systeem te doorontwikkelen en te vereenvoudigen. „Zowel boeren als RVO zijn bekend met dat systeem, het is eenvoudiger om daarmee verder te gaan.”
Viersen zag ook dat verschillende beleidszaken niet op elkaar zijn afgestemd, maar wel allemaal bij elkaar komen op het boerenerf. Dat leidt tot regelstapeling. „Integreer die regelingen nu, dan wordt dat eenvoudiger”, zei hij. „En maak nieuwe regels tijdig bekend, dan kan RVO zaken inregelen en kunnen boeren daar tijdig voorbereidingen voor treffen.”
Nederland van het slot
In een tweede ronde kwam WUR-onderzoeker Europese regelgeving Robert Baayen aan het woord. Hij stelde wel een forse verandering voor. „Allokeer meer geld aan de tweede pijler”, zei hij, „en zet dat dan in op gebieden met natuurlijke en wettelijke beperkingen.” Dat zouden onder meer veengebieden zijn, en de gebieden nabij Natura 2000-gebieden. „En daar mag je ook die gebieden aan toevoegen die te maken hebben met beperkingen vanwege de Kaderrichtlijn Water.” Op die manier zou je de vergunningverlening weer los kunnen trekken, zei hij.
Het huidige kabinet wil dat doen door stikstofreductie te realiseren via vrijwillige doelsturing. Maar dat gaat niet lukken, voorspelde Baayen, omdat natuurherstel ‘onontkoombaar gezekerd’ moet zijn. Met vrijwillige maatregelen red je dat niet.
Als de regering daarentegen verplichte maatregelen wettelijk verplicht, wordt voldaan aan die eis van onontkoombare zekering, maar dan mag je boeren daar geen redelijke vergoeding voor geven – Europese regels staan dat niet toe. Daarmee komt een oplossing niet van de grond.
Maar het GLB biedt daarvoor een uitweg, stelde Baayen. Daarbij mag je die vergoeding wel toekennen.
Het zou wel een herverdeling van geld betekenen, dacht Bromet. En politiek ligt dat gevoelig. „Welke boeren moeten dan het verlies nemen?”
Volgens Baayen zouden dat de boeren moeten zijn die niet in die gebieden zaten. „Je moet de boeren die de grootste opgaven hebben, het meeste ondersteunen.” En daar zouden niet enkel de andere boeren aan moeten meebetalen, maar heel Nederland. „Heel het land heeft problemen. We hebben een paar miljard nodig om dat op te lossen. Dat zouden we met z’n allen aan moeten meebetalen.”
Gijs Schilthuis, ambtenaar bij de Europese Commissie, zei dat die oplossing zeker mogelijk was. „De Commissie onderkent de grote milieu-uitdagingen van de Nederlandse landbouw”, zei hij. Met de Nationaal Strategische Plannen (NSPs) die sinds dit GLB gelden kunnen lidstaten, en dus ook Nederland, specifiek die problemen aanpakken die in die landen spelen. Hij zag dat de lidstaten daar in hun eerste NSPs te conservatief mee waren omgegaan en voort hadden geborduurd op oude structuren. „Wij willen lidstaten stimuleren om meer strategische keuzes te maken”, zei hij. „Om lokale, regionale en nationale problemen aan te gaan.”
Een aanpak zoals Baayen voorstelde zou daar zeker bij passen, dacht Schilthuis. „Als Nederland het GLB gaat gebruiken om problemen aan te pakken, zijn wij daar een voorstander van.”